Reisverslag Hylke Sierksma 2011 – 2012

In december en januari was ik opnieuw in Costa Rica. Natuurlijk om met mijn vrienden kerst, Nieuwjaar en vakantie te vieren. Ook moesten er weer een aantal zaken voor Oasebos worden geregeld. Hieronder het verslag van mijn belevenissen.

Zaken regelen rond de Vakantiebeurs

In januari van dit jaar stond Oasebos wederom in de stand van Edventure op de Vakantiebeurs in Utrecht. Edventure is een in Costa Rica gevestigd Nederlands reisbureau(www.edventure.biz) Eigenaren zijn Ed Smit en Renee Snijders. Zij bieden niet alleen gewone reizen aan, maar werken in een aantal Midden-Amerikaanse landen ook nauw samen met diverse projecten. Hun reizigers kunnen deze bezoeken. Oasebos is een van de projecten.

Omdat onze bossen geen enkele infrastructuur hebben voor (vakantie)bezoek, heb ik hen geadviseerd contact te zoeken met drie logies/hotel faciliteiten in het hart van het Maquenque gebied. Rondom Maquenque zijn tal van faciliteiten, maar in het hart zijn er slechts drie. Dit zijn Lagarto Lodge, Pedacito de Cielo en Maquenque Ecolodge  Deze faciliteiten liggen in de buurt van het plaatsje Boca Tapada aan de Rio San Juan. Dat is niet ver van de grens van Nicaragua. Maquenque Ecolodge is de nieuwste en is eigendom van de familie Artavia. Het is gebouwd op een stuk grond van hun vader. Het hotel ligt aan de westelijke zijde van de Rio San Carlos en je moet de rivier over om er te komen. Ze hebben 60 hectares eigen bos en bieden een rondleiding door dat bos. Hier kan je goed kennismaken met Maquenque en tal van vogels en andere dieren tegenkomen.

Om een lang verhaal kort te maken: Oscar Artavia, één van de familieleden, zou naar Nederland komen om op de Vakantiebeurs het Maquenque gebied te promoten. Ik moest daarvoor wel aan Oscar vertellen wie en wat Oasebos is. Dus ging ik op pad naar Boca Tapada met de nodige informatie over Oasebos en een video over het Maquenque gebied, in 1997 vervaardigd door het CCT. Deze hele video staat op Vimeo en gaat over Ulises Alemán, met wie ik later mee ga.

De reis van Oscar evenals ons deel van de stand op de Vakantiebeurs is gesponsord door Van der Knaap (www.vanderknaap.info), leverancier van potgrond en substraat voor de tuinbouw.

Het verrassende van het bezoek aan Maquenque Ecolodge was, dat de betreffende video is opgenomen rondom het hotel. Ze kennen daar alle bomen uit de video. De achtergrondzanger die op de video te horen is, is de vader van Oscar Artavia.

Een nuttig maar ook leuk bezoek dus.

Op pad naar ons bos “El Salto”

Omdat ik al op pad was, wilde ik de tijd nuttig gebruiken. Ik besloot daarom een bezoek aan Carlos Gonzalez Vega in Hojancha te brengen.

Carlos is beheerder van El Salto. Dat ligt overigens niet om de hoek van Maquenque Ecolodge. De autorit nam ruim vijf uur in beslag. De route loopt vanuit het hart van Maquenque naar de provincie Guanacaste (ongeveer 180 kilometer). De hele regio San Carlos wordt tijdens de tocht doorkruist. Tijdens de autorit kwam ik onder andere langs de actieve vulkaan Arenal, bij het meer van Arenal. Een kunstmatig meer dat in de jaren 70 is aangelegd om elektriciteit op te wekken. De dam (een simpele dijk) ligt aan de kant van de vulkaan. Het opmerkelijke is dat het water nu niet meer naar de Atlantische Oceaan loopt maar uitstroomt langs generatoren aan de westkant van het meer. Hier stort het water ongeveer tweehonderd meter naar beneden en levert dus elektriciteit, maar zorgt ook voor de irrigatie van het zes maanden droge gebied rond Cañas. Daardoor kan in dit gebied nu het gehele jaar effectief landbouw en veeteelt beoefend worden.

Er is daar zelfs een enorme Tilapia kwekerij opgericht. Het grootste deel van de kweek wordt geëxporteerd.

Altijd een leuke rit met een enorme variëteit aan landschappen en klimaatzones. Als je dan uiteindelijk bij Cañas aankomt, dan breekt het zweet je uit. Je bent dan op het laagland van Guanacaste en daar is de temperatuur in december gauw meer dan 35 graden. Bij het vertrek en onderweg varieert de temperatuur rond 25 graden.

Na een overnachting vlak bij Hojancha, ging ik weer vroeg op pad. Ik wilde na mijn bezoek aan Carlos toch weer dezelfde dag terug rijden naar San José.

Hojancha en ons bos, dat ligt bij het dorpje Monte Romo, bevinden zich weer op een hoogte van zo’n zeshonderd meter. Daardoor is het daar weer wat koeler.

Carlos bleek niet thuis, maar was beneden op zijn terrein aan de voet van de waterval. Dus volgde een zoektocht van een uur naar beneden en later weer dezelfde wandeling omhoog. Uiteindelijk kwam ik hem tegen in de zogenoemde oase van rust. Een waterval van ruim 100 meter zorgt er daar het hele jaar voor dat het er groen is.

Ons bos ligt er prima bij, maar Carlos meldt dat hij veel last van stropers heeft. Jongelui uit de regio op motoren struinen via een lokaal weggetje deze bossen af. Ze zijn tijdens deze strooptochten onzichtbaar voor Carlos.

De stropers zijn vooral op zoek zijn naar de Tepezcuinle of Paca. Dat is een soort Agouti (knaagdier) van ongeveer zeventig centimeter groot en wordt veel door de mensen gegeten.

De stropers zijn daarnaast op zoek naar solitaire reeën. Carlos weet wie achter de stroperijen zitten en heeft inmiddels bij MINAET, het lokale kantoor van het ministerie van natuurbeheer en de politie aangedrongen op maatregelen.

Rond het middaguur, waren we weer boven bij het huis van Carlos. Een kop koffie en even bijpraten. En dan snel op pad naar Moravia – San José. Zo’n vijf uur terug naar huis.

Vroeger ging je dan direct en klom je bij Puntarenas naar zo’n 2.000 meter om vervolgens af te dalen in de Centrale vallei (800 – 1400 meter) aan de noordkant. Nu is er een “snelweg” vanaf Puntarenas naar de westkant van San José. Geen twee keer twee banen, maar het gaat wel sneller dan vroeger. Hoewel je hier wel 6 keer in de file staat voor tolpoortjes. Een grote ergernis voor de Costaricanen, die ruim 20 jaar hebben moeten wachten op deze snellere verbinding naar het strand van de Central Pacific Coast.

In januari naar Copalchi en El Cerrito

Pas in de loop van januari begint het eindelijk wat droger te worden in het Caribische laagland. Tot die tijd zorgen depressies aan de noordoostkant van Costa Rica ervoor, dat er veel regen valt. Dat zorgt voor overstromingen, waardoor onze bossen aan die kant van Maquenque in deze periode vaak praktisch onbereikbaar zijn.

Gewapend met een gehuurde Toyota Hilux, een sterke 4×4 pick-up en niet vergeten “sneeuwkettingen” om niet vast te komen zitten in de modder, op pad naar Puerto Viejo de Sarapiqui.

Dit is een mooie uitvalsbasis voor deze bossen van Oasebos.

Je zou denken “puerto” is een haven aan de kust. Niets is minder waar. Het was de haven van waaruit de boeren hun handelswaar vervoerden over de Rio Sarapiqui naar de monding van de Rio San Juan, op de grens van Nicaragua. Daar was een kleine (Engelse haven) om deze goederen te exporteren.

Puerto Viejo ligt iets meer dan een uur van San José door de nevelwouden van het Brauillio Carillo Nationaal Park. Vanuit “Cheppe” is naar het westen is een weg aangelegd om een snellere autoverbinding te krijgen met Puerto Limon. De aanleg werd begonnen nadat in de jaren ’80 door een aardbeving de treinverbinding werd verwoest. Om de weg aan te leggen hebben ze gelijk dit enorme nevelwoud omgedoopt in nationaal park. Je rijdt zo’n drie kwartier door dit woud op zo’n 1.600 meter hoogte (als de weg niet versperd is door de aardverschuivingen. Die komen hier regelmatig voor en dan staat weer alles vast).

Na dit nevelwoud daal je af naar zeeniveau en verandert de temperatuur weer naar zo’n 35 graden. Even wennen dus.

Als je aan de Caribische kant afdaalt en uit het bos komt, zie het direct: dit is “bananenland”. Het gehele laagland tot Limon is begin 1900 ontgonnen om bananenplantages aan te leggen. Het begin van alle bananenplantages in de regio. Een speciale afspraak tussen de regering en een Amerikaan (Henry Meiggs), die toen de spoorlijn aanlegde. Hij was de oprichter van de United Fruit Company ofwel later Chiquita. Puerto Viejo de Sarapiqui ligt net aan de rand van dit bananengebied. En noordelijk van deze plaats liggen Copalchi en El Cerrito.

Ik ging op zoek naar een slaapplaats, omdat ik de volgende dag met Ulises Alemán een afspraak had om samen El Cerrito te bezoeken.

Ulises is een selfmade bioloog en specialist op het gebied van de uitstervende papegaaiensoort Lapa Verde. Hij weet ook veel over andere dieren. Hij bestudeert al decennia lang de Lapa Verde en niet alleen in Costa Rica. Hij komt van origine uit El Salvador. Ulises werkte jaren samen met Guisselle Monge en Oliver Chassot. Het drietal bracht het leven van de Lapa Verde in kaart. Ulises werkt nu in een Zwitsers opvangcentrum voor de Lapa Verde en via het Centro Cientifico Tropical ook voor ons. Hij monitort maandelijks onze bossen El Cerrito en Copalchi. Met deze specialist ga ik dus naar El Cerrito.

We gaan ’s morgens om half vijf op pad. Het is mistig en de ramen van de auto beslaan steeds binnen en buiten.

Ulises woont in Pangola. Ik had het een beetje onderschat en kwam dus te laat. Zijn welkom was er niet minder door. Er stond al een “Gallo Pinto” klaar. Een traditioneel ontbijt van rijst en bonen met een gebakken eitje.

Daarna op pad. Samen met zijn zoon Vilgen (tien jaar oud). Bij Pangola kan je de Rio Torro oversteken via een hangbrug. Ik had dat al eens eerder gedaan. Spiegels inklappen en dan kan je er net overheen. Daarna een uurtje rijden tot een van ingangen naar El Cerrito. Een pad over het terrein van een buurman en dan oversteken naar El Cerrito. We hebben de gehele “caril” aan de zuidzijde van El Cerrito (betekent kleine berg) afgelopen. Er is tijdens deze wandeling een hoogteverschil van ongeveer honderd meter. We kwamen aan bij Caño Negro. Daar is een klein meertje. Vervolgens begon de tocht terug. Als je dit moet lopen over een “carril”, niet meer dan een pad waar de struiken zijn weggekapt. Dit is een hele belevenis, want je moet steeds over omgevallen bomen klauteren en omhoog en omlaag, door glibberige modder. Het is wel de moeite waard, want je vindt hier waterbronnen en tal van orchideeën in de enorme bomen. Dit is echt een onaangetast bos. We hebben niet veel dieren gezien. Daar was het al te laat voor. Wel een paar vogels en natuurlijk ook apen, verder een paar sporen, zoals van de Tapir. Uiteindelijk een flinke wandeling weer terug naar de auto. En dan weer terug over een voor mij nieuwe route naar Pangola. Er zijn zo’n vier toegangswegen naar El Cerrito heb ik nu ontdekt.

In Pangola stond een “Olla de Carne” klaar. Een nationaal gerecht van draadjesvlees met aardappelen en groente en natuurlijk rijst. Gracias a la hija de Ulises.

Naar Copalchi

Ik wilde Copalchi bezoeken met de voormalig eigenaars omdat zij op het aangrenzende land nog steeds vee houden. Dit betekende een dag wachten. Een goede gelegenheid, dacht ik, om alvast op onderzoek uit te gaan in het gebied. Dus ging ik op pad in de richting van Copalchi. Langs de Rio Sarapiqui en vervolgens de Rio Torro over. Een prima verharde weg met aan het einde wat verstoringen door overstromingen.

Bij de ingangsweg naar Copalchi kende ik de buren, dus daar op bezoek. De familie Chaves heeft een aantal koeien en varkens en houdt zich bezig met de productie van jonge kaas. Een kaas van het eerste stremsel voor toepassingen in de horeca.

In Costa Rica wordt deze zeer jonge kaas veel gebruikt om te bakken en te gebruiken bij de maaltijd. De hele familie is betrokken bij de productie. Hardwerkende mensen, die dagelijks met het hele gezin aan de slag zijn een bestaan op te bouwen en dat lukt goed.

Op het moment dat ik daar kwam waren ze druk in de weer om de voorbereidingen te treffen voor “El rezo del niño”. Een na kerst te vieren gebeurtenis met veel eten en drinken om de geboorte van Jezus herdenken en deze periode af te sluiten.

Ik werd welkom ontvangen en heb genoten van de diverse lekkernijen, die voor deze feestdag werden voorbereid. Een prima kennismaking met deze buren en een perfecte gelegenheid om eens te vernemen hoe het in de regio gaat.

Zij meldden mij namelijk dat er veel stroperij is. Mensen, die dagelijks Copalchi bezoeken om o.a. herten te jagen. Dat gebeurt voor puur commercieel belang en dus zeker niet alleen voor eigen gebruik. De familie Chavez had daar last van, omdat deze stropers vooral in de nacht werken. Reden genoeg om dit probleem de volgende dag eens verder te onderzoeken.

Ik ben die dag ook even doorgereden naar de Rio San Juan, grensrivier van Nicaragua. Letterlijk: Want deze rivier is ooit aan Nicaragua geschonken en de grens ligt dus aan de Costaricaanse kant en niet in het midden van de rivier. Dit geeft al jaren grote problemen tussen beide landen. Vooral omdat Nicaragua niet toestaat dat Costaricanen en de grenspolitie de rivier gebruiken om van de ene locatie naar de andere te gaan. Wegen waren er namelijk niet. Dit probleem is nu zover opgelopen, dat Costa Rica met een noodgang een weg aan het aanleggen is, met alle aansluitende wegen. Op zich een prima initiatief voor de ontwikkeling van deze streek en haar bewoners. Die waren praktisch aangewezen op vervoer per boot. Echter deze ontsluiting is ook een “aanslag” op het gebied. Mensen, die kwaad willen, kunnen nu ook overal komen.

Wilt u zien hoe deze aanleg gaat klik dan op deze link naar de krant La Nacion. Daar zijn ook veel foto’s te zien zijn als je doorklikt op de pagina van de kaart.

Wel, de ontwikkeling is gigantisch. In tal van dorpjes zien de mensen het al helemaal zitten. Ze hebben hun winkeltjes en restaurantjes vernieuwd en uitgebreid. Ook omdat door de komst van deze wegen, de elektriciteit en telefonie ook direct doorgetrokken wordt.

De Rio San Juan is een prachtige grote rivier, die aan beide zijden de regenwouden doorkruist vergelijkbaar met de Amazone. Jaguars zwemmen de rivier over om hun jachtgebied uit te breiden. De Lapa Verde broedt in Costa Rica en gaat terug naar Nicaragua. Dat gebeurt als de amandelvruchten op zijn en hun kinderen groot genoeg om terug te vliegen.

De volgende dag opnieuw naar Copalchi. Nu met onze directe buren en vorige eigenaren. Fabio Vargas Jr. (kortaf Junior) en zijn oom Claudio, die ik ook al eens eerder ontmoet had.

De familie Vargas heeft o.a. een aantal veeteeltbedrijven in de regio van het oostelijk Maquenque gebied. Copalchi is daar een van. Althans het deel dat zij nu nog hebben. Dat is ongeveer net zo groot als ons bos aan de noordkant. Wij moeten dus over hun land naar het bos van Copalchi. Zelf wonen zij in Palmares, in het noordelijke deel van de Centrale Vallei en (waar zo’n 60% van alle Costaricanen wonen – zeg maar zo’n soort Randstad, maar dan in het hart van het land) vandaar uit bestieren zij al hun veebedrijven.

Ik zat al in Puerto Viejo en zij moesten eerst drie uur rijden om mij te treffen. Daarna een uur verder naar het noorden, doel Copalchi. Dus samen met hen op pad naar Copalchi. Ik had daarvoor gekozen, omdat zij nu weer een beheerder op hun “finca” hebben en Ulises Alemán bij zijn eerdere inspectietochten ook niet verder de finca op mocht komen van hem. Toen moest ik Ulises vanuit Nederland legitimeren over zijn inspecties. Ik wilde deze beheerder wel eens met Fabio Vargas Jr. ontmoeten en tevens met hem dringend praten over de stroperij op de finca.

Het laatste stukje naar Copalchi was nu gelukkig redelijk berijdbaar met de 4×4. Daar troffen wij direct Pedro Sotto Fernandez, die het vee van de familie Vargas sinds enige maanden beheert. Hij woont in een oud, maar nog tamelijk degelijk huis op de finca, bij de ingang, direct na de brug over het riviertje Copalchi. Duidelijk een vrijgezellen status van een vijftiger op zo’n afgelegen plek. Hij heeft hier geen elektriciteit en ook geen stromend water. Dus een put. En een paard. Voor zijn werk en zijn boodschappen. Geen makkelijk bestaan, maar hij houdt ervan. Ik heb wel meer van deze mensen ontmoet in Costa Rica. Gelukkig zijn ze er nog.

Samen met hem zijn wij naar ons bos gelopen en ondertussen legden wij uit wat de status van dit bos is. Dit wist hij allemaal nog niet. De stropers kwamen bij hem met een smoes. Ze zouden toestemming hebben gehad van Don Fabio Sr. Kortom allemaal onwetendheid en bluf. Daar hebben we mogelijk iets aan veranderd. We hebben de grenzen van het bos laten zien met ook het bord van Fonafifo dat vermeldt dat stroperij hier verboden is. Fabio Jr. heeft hem dringend uitgelegd dat niemand zonder onze toestemming toegang heeft. Wij zullen verdere maatregelen nemen en kijken of de lokale mensen van het MINEAT ons hierbij kunnen helpen. Het bos ligt er prima bij. Geen verstoringen en de natuur is zoals steeds overweldigend. Midden op de dag kom je niet veel dieren tegen op een paar vogels na. Ik heb zowel de Groene Ara gezien als de Rode. Diverse paren. Deze paren blijven hun hele leven bijeen. Verder wel de sporen van andere dieren, zoals de Tapir. Opnieuw een waardevolle dag en veel gedaan.

Dan moet je je haasten om weel voor donker terug te zijn in je hotel. Om zes uur is het donker en deze wat primitieve wegen zijn dan toch wat moeilijker berijdbaar. De volgende dag vroeg terug naar San José om de huurauto op tijd in te leveren en hopen dat de verhuurder je niet aanspreekt op de vervuiling intern en extern van de auto. Want alles zit tot de nok toe vol met modder.

Nog een paar andere gesprekken

Wel, de bezoeken aan de projecten van Oasebos zitten erop. Werk gedaan! Verder heb ik een bezoek gebracht aan Guisselle Monge en de directeur van het C.C.T. om een paar zaken te regelen, zoals het tekenen van een contract over het werk van Ulises. Daarnaast nog een paar bezoekjes aan Jit Coers en Huite Zijlstra, om de gebruikelijke zaken met hen te regelen t.a.v. hun werk als vertegenwoordigers van onze stichting.

Tot volgend jaar,

Hylke Sierksma