Reisverslag Hylke Sierksma 2015

  Verslag bezoeken aan onze vertegenwoordigers en bossen in Costa Rica, juli 2015

Sinds oktober 2014 was ik niet meer in Costa Rica geweest.

Dus nu ik in Panama woon op zo’n 500 km van San José werd het tijd om weer eens op bezoek te gaan bij de diverse belangen van Oasebos. Na een tevergeefse poging in mei, toen ik gewoon probeerde met mijn eigen auto die richting uit te gaan. Niet meer gewend aan grensovergangen waar de nodige formaliteiten moeten worden verricht, was ik op een gegeven moment illegaal met mijn auto in Costa Rica en moest derhalve onverhoopt terug om zelfs illegaal de grens van Panama weer over te gaan. Daarom nu met de bus. Vanuit mijn huis naar David in Panama en vervolgens een bus naar San José. Een reis van zo’n 12 uur. Met 1 uur oponthoud aan de grens voor de formaliteiten.
Ik heb nu ervaring en de volgende keer ga ik gewoon weer met m’n eigen auto, want dat gaat toch wat sneller.

Op 27 juli een bezoek gebracht aan Jit Coers en Huite Zijlstra, onze officiële vertegenwoordigers in Costa Rica. Zij wonen in Concepcion, de San Rafael de Heredia. Lijkt gecompliceerd, maar met deze manier van aanduiden weet iedereen precies waar het is. Namelijk een dorpje bij San Rafael dichtbij de hoofdstad van de provincie Heredia, die ook Heredia heet. In de centrale vallei van Costa Rica, waar de meeste provincie hoofdsteden liggen. Dorpen met namen als Concepcion en San Rafael heb je veel in Costa Rica. Een half uur rijden van de plaats waar ik verblijf bij vrienden in Moravia. Vanuit hun huis kan ik dat huis ook praktisch zien want zij liggen net iets hoger op zo’n 1.500 meter boven de zeespiegel.

Buiten een bijzonderlijk hartelijk ontvangst, de lopende zaken besproken en verder afspraken gemaakt over onderhoud van de bossen enz.

De volgende dag een afspraak gemaakt met Ulises Aleman, die de bossen in het Maquenque gebied maandelijks inspecteert. Een auto gereserveerd en de volgende dag op pad.

Richting Puerto Viejo de Sarapiqui. Deze plaats ligt op het zuidelijkste puntje van het Maquenque gebied en grenst aan de oerwouden van het Nationale Park Braulio Carillo. De plaats wordt Puerto Viejo genoemd omdat in vroegere tijden toen er nog geen wegen waren, dit een belangrijke rivierhaven was aan de Rio Sarapiqui. Voor de export van goederen vanuit Costa Rica via deze rivier naar de monding van de Rio San Juan, de grensrivier tussen Costa Rica en Nicaragua. Aan de monding van deze laatste rivier was weer een haven voor overslag naar de schepen die naar Europa en de Verenigde Staten van Amerika voeren.

Als je San José verlaat via de hoofdweg naar Limon, de belangrijkste haven van Costa Rica, ga je dus omhoog dwars door dit enorme nationale park, door de nevelwouden. De weg is een van de gevaarlijkste in CR. En de voorgaande weken was hij nog enkele dagen afgesloten wegens “landslides” of te wel hele stukken bos, verzadigd door het regenwater komen dan naar beneden. Je gaat door de enige tunnel in CR op het hoogste punt en dan daal je weer af, maar dan naar zeeniveau, want San José ligt ook op 800-1.000 meter hoogte. Zodra je het bos uit bent sla je links af en vervolgt de weg naar Sarapiqui.

Hier aangekomen eerst even Alex Martinez begroeten, de vorige eigenaar van ons bos El Cerrito. Hij heeft drie zaken waar hij zich druk mee maakt. Zijn Bed and Breakfast waar hij vogelaars ontvangt en tours mee maakt. Verder zijn opvangcentrum voor dieren uit het oerwoud, die op de een of andere manier dat nodig hebben omdat zij gewond zijn geraakt of door derden in huis genomen zijn en daar niet meer passen. Tot slot maakt hij zich nu erg druk om het feit dat de lokale overheid een concessie heeft verleent aan een bedrijf dat stenen materiaal uit de rivier haalt voor wegenbouw o.a. en hierbij grote schade aanbrengt aan de natuur rond de rivier. Kortom druk, druk, druk.

Vervolgens door naar mijn hotel in Sarapiqui, “Ara Ambigua”, toepasselijker kan het niet als ik straks het Maquenque gebied in ga, want daar leeft deze Groene Ara. Slaapplaats ook geregeld.

Daarna door naar Ulises Aleman in Pangola. Alvast even bijpraten en verder afspraken voor onze tocht van morgen gemaakt. Pangola ligt op zo’n 45 minuten over een grindpad noordelijk van Sarapiqui. Dwars door de ananas velden, maar ook langs een terrein waar ze koolzuurgas voor het bier en de frisdrank uit de grond halen. Verder hier ook veel bossen.

Afgesproken dat ik de volgende morgen om vijf uur vertrek uit mijn hotel, dan ben ik om 5.45 uur bij hen. Dan kunnen we vroeg op pad naar ons bos Copalchi. De vrouw vUlises en familiean Ulises en Stephanie hun oudste dochter willen ook mee. Maria Funes is geboren vlak bij ons bos en kent daar nog veel mensen en Stephanie, wil graag wat ervaring opdoen voor haar studie Toerisme op de universiteit in Limon. Ulises bezoekt de bossen tijdens zijn inspecties per motor, dus dan kunnen ze niet mee.

’s Avonds vroeg op bed en de volgende morgen dus weer vroeg op. Bij donker op pad, maar ik ben niet de enige. Vele veldwerkers starten dan ook, om ca. 15.00 weer klaar te zijn, voordat de regen losbarst. Bij huize Aleman, wordt al hard gewerkt aan een voedzaam ontbijt. “Gallo Pinto”, het nationale ontbijt van Costa Rica. Rijst en bonen samen gehusseld, met een uitje en kruiden, met een roerei en een bakbanaan. Verder sterke koffie. Gesterkt gaan we op pad met z’n vieren.

Over de hangbrug bij Pangola over de Rio Torro. Ik krijg er inmiddels handigheid in om deze brug op en over te rijden. Hij is net iets breder dan de auto, dus je moet er recht op aanrijden na een haakse bocht. En dan recht blijven tot aan de andere kant. Kan net.

Na zo’n 45 minuten langs de rivier naar het noorden over een grindpad kom je bij de ingangsweg naar ons bos. Even langs Carlos Chavez en zijn familie, die hier op de hoek wonen. Gegroet en geïnformeerd naar de staat van de weg, want de vorige keren, dat Ulises het bos wilde bezoeken kon dit niet omdat er een bruggetje was weggeslagen. De laatste drie maanden had het flink geregend in dit noordelijke deel van Costa Rica, terwijl andere delen nog steeds uiterst droog zijn. En het regent er nog steeds, behalve vandaag gelukkig, voor het grootste deel van de dag droog.

Het bruggetje was weer gerepareerd. Dus op pad over een onverharde modderweg. En gladde heuveltjes op en af, gelukkig weer een beetje droog, maar toch maar de vierwiel aandrijving aan. Carlos is bezig met een initiatief om de gemeente te vragen de weg te verharden, als alle belanghebbenden bijdragen in de kosten, kan dit mogelijk gerealiseerd worden. Ik heb onze medewerking toegezegd.

Dit is echte veldcross, maar we komen zonder noemenswaardige schade bij de brug over de Caño Copalchi. Daar dreigen we vast komen te zitten in een gat. Ulises legt wat sprokkelhout in het gat en dan is deze hindernis ook genomen. Vervolgens over de “finca” van de buren, naar de ingang van ons bos. Auto geparkeerd, laarzen aan en op pad het bos in. Inmiddels is het dus negen uur. Langs het riviertje over een oud pad naar het noorden en het andere einde van het bos, waar het riviertje in een meertje uitmond.

In het bos kom je tal van bloemen tegen, geweldige grote bomen, diverse lianen (ook bomen), ontelbare kleine rode gifkikkers, met en zonder blauwe achterpoten. Een familie kapucijner apen, een familie spinapen en een familie brulapen. Halverwege word ik gebeten, door een grote zwarte mier, die zich in mijn laars gevestigd had. Een beet als een geweerschot, “balazo”, dat doet behoorlijk pijn, dus tanden op elkaar en verder. Pas later thuis bij Ulises kon ik er “Zepol”, een sterke Eucalyptus crème op doen en dat doet de pijn dan snel verdwijnen.

Halverwege begon hboset ook een beetje te regenen, dus regenponcho aan en helaas geen foto’s meer.  Zo’n twee kilometer worstelen door de modder naar het meertje, het noordelijkste punt van het bos en weer twee kilometer terug. Dan ben je toch zo’n vier uur op pad. Terug bij de auto, droge kleren aan, want buiten de regen, zweet je enorm, het is zo’n 24 graden, ook zonder de zon.

Het bos lag er goed bij. Enkele sporen van mensen, stropers, maar geen ernstige schade.

Weer op pad naar “huis”. Onderweg nog een paar relaties van Maria begroet. In Pangola heb ik de hele familie getrakteerd op eenvoudige doch voedzame maaltijd in het plaatselijke café. Zij hadden voordien mij al zo vaak voorzien van een uitgebreide lunch na afloop van een dergelijke tocht, dat ik wel eens iets terug mocht doen aan zo’n gastvrije familie.

Om vijf uur terug naar mijn hotel. Gedoucht en avondsoep. Nog even met Alexander gepraat, die druk was om een lokale autoriteit te overtuigen, dat de werkzaamheden aan de Rio Sarapiqui onjuist waren en een schade voor het milieu en de natuur.

De volgende morgen op pad naar Hojancha. Via de lange route, om het meer van Arenal heen. Ik wilde namelijk een goede kennis ontmoeten, die ik al een tijd niet gesproken had: Oscar Artavia. Hij heeft een reisbureau in La Fortuna, aan de voet van de vulkaan Arenal, en is met zijn familie eigenaar van het hotel “Maquenque Ecolodge” in Boca Tapada. Gelegen in het hart van het Maquenque gebied, is dit hotel een prima uitgangspunt om kennis te maken met onze bossen Copalchi en El Cerrito. Onze bossen hebben geen enkele accommodatie om te bezoeken en dit hotel heeft een eigen bos, waar je dus kennis kunt maken met de natuur en de fauna van dit unieke gebied. Daarnaast organiseren ze boottochtjes over de Rio San Carlos, naar de grens van Costa Rica en Nicaragua. Kortom een aanrader en enkele Oasebos participanten gingen u al voor.

In La Fortuna werd ik allerhartelijkst ontvangen en uitgenodigd voor een lunch in het restaurant naast het kantoor van Avonturas Canoas. Even bijgepraat en weer afscheid genomen, tot een volgende keer. Na Sarapiqui dus eerst via de streek San Carlos naar La Fortuna en vervolgens om het stuwmeer heen naar Cañas en daarna naar het zuiden naar Limonal, waar de weg naar de Puente de Amistad begint om op het schiereiland van Nicoya te komen. En dan door via de eerste afslag naar Mansion en Hojancha. Hotelletje gezocht en eerst maar eens uitrusten van zo’n 400 km Costa Rica.

De volgende dag naar Carlos Gonzales in Monte Romo een dorpje noordelijk van Hojancha. Carlos is de beheerder van ons bos “El Salto” in dit gebied bij de waterval El Salto de Calvo.

Ik kon hem voordien niet bereiken via telefoon, dus op goed geluk. Bij zijn huis aangekomen, niemand aanwezig, maar eens even bij de buren gevraagd. De overbuurvrouw bleek zijn zuster en daar werd ik hartelijk ontvangen en er werd direct koffie gezet. Carlos was naar het dal van de waterval gegaan en hij verwachte een andere gast voor een rondleiding, dus had zijn telefoon bij hen gelaten. Hij zou wel weer boven komen, zij ze.

En inderdaad rond het middaguur kwam hij weer te paard naar zijn huis. Inmiddels was zijn broer van ruim 80 jaar ook wakker geworden en maakte zijn zuster voor ons een “almuerzo” het middag eten. Dit achter de kiezen meldde zijn andere gast zich ook. Dus paarden weer gezadeld en samen met een Canadese familie van zo’n 7 personen, die in de omgeving woonden gingen we weer omlaag naar het dal van de waterval. Lopend zoals deze Canadezen moesten doen is dit geen pretje, vooral als je er niet op gekleed bent, met slippers en zonnejurkjes. Maar goed, zij wilden het en ze hebben het ook goed volbracht.

Te paard is het een uurtje omlaag klauteren. De paarden kennen de weg wel, maar ze behoeven soms wel wat aansporing, vooral als je weer naCarlos met gast op watervalar boven gaat. En het is daarom behoorlijk spannend, want je moet vertrouwen op je paard, terwijl hij paadjes loopt van enkele tientallen centimeters breedte en daarnaast een steile helling.

Aan de voet van de waterval is een primitief verblijf voor gasten, die hier willen overnachten. Daar worden de paarden gestald om verder de waterval te verkennen. De Costaricaanse bezoeker wilde baden in een van de “pozos” van de waterval. Een klein meertje. Daarna klommen zij omhoog, terwijl ik ons bos nabij de waterval opzocht. Het ligt er goed bij, geen grote problemen. Ook hier blijven stropers een probleem, maar gelukkig niet ernstig. Veel vogels gezien en tal van planten in deze groene Oase in het verder erg droge Guanacaste. Door de klimaat verandering heeft deze provincie van Costa Rica ernstig te leiden van droogte, veel te weinig regenval in het regenseizoen.

Daarna weer omhoog. Onze Costaricaanse bezoeker beheerste zijn paard beter dan ondergetekende en hielp de Canadese bezoekers om omhoog te komen, want de klim is nog zwaarder dan naar beneden lopen. Tot slot waren we allemaal weer tegelijk bij het huis van Carlos.

Een hartelijk afscheid voor allen. En ik samen met de Costaricaanse bezoeker naar Hojancha. Een flinke douche en even avondeten in een plaatselijk restaurant. Nadat een werkelijke plaatselijk onweer Hojancha  teisterde met een waterval aan regen. Zo zie je maar weer hoe lokale omstandigheden de zaak op de kop zetten.

De volgende dag terug naar San José. Weer een autorit van zo’n 6 uur. Ik had de pech dat ik in Hojancha achter een processie aansloot met honderden mensen op pad naar het naast gelegen dorp Los Angeles, waar de nationale heilige van Costa Rica wordt vereerd. Het was 2 augustus en dan wordt dat gevierd en lopen mensen vanuit het gehele land naar de kathedraal van Carthago. Daar bevindt zich een beeldje van La Virgen de los Angeles. De nationale heilige. En hier bij Hojancha doen ze dat een beetje voor henzelf. Dus een uurtje oponthoud.

Na het middaguur weer op de thuisbasis in Moravia de San José, een van de buitenwijken in het oosten.

Dit is mijn verhaal, een beetje lang denk ik, maar dan kan je ook helemaal volgen wat ik op zulke inspectie tochten doe.

Vriendelijke groet,

Hylke Sierksma